9.1 Wet- en regelgeving

Het beleid speelt een belangrijke rol voor ECP-achtige initiatieven. We kunnen hun rol opdelen in 3 categorieën:

  • ondersteuningsbeleid (bv. van hernieuwbare energie)
  • vergunningen en juridische procedures
  • stimuleringsklimaat (opstellen van een visie, stimulerende en faciliterende rol via regionale ontwikkelingsmaatschappijen)

Overheidssteun hernieuwbare energie

De Europese richtlijn Hernieuwbare Energie (2009/28/EG) staat centraal bij de promotie van hernieuwbare energie in Europa.

In Vlaanderen en Nederland kent de overheidssteun voor hernieuwbare energie een verschillende vorm.

  • Voor België worden ondere andere groene stroom en warmtekracht certificaten toegekend aan een aantal technologieën (meer informatie via de websites van VEA en VREG). Er is vooralsnog geen systeem opgezet voor groen gas.
  • In Nederland is de SDE+ regeling van toepassing (meer informatie via de website van de Rijksoverheid en Agentschap NL). Groen gas valt ook onder de SDE regeling.

De ondersteuning van biobrandstoffen is ook helemaal verschillend.

  • In België is er een systeem van accijnsreductie voor biodiesel en bio-ethanol, gelinkt aan bepaalde quota, die in 2006-2007 toegekend zijn aan bepaalde (7) biobrandstofproducenten. Daarnaast is er nog een bijmengverplichting van 4%. Dit systeem wordt allicht nog verlengd in 2013.
  • In Nederland geldt ook een bijmengverplichting (maar geen accijnsreductie eraan gekoppeld). De markt is niet beperkt tot quotahouders, waardoor er internationale competitie is (zeker via imports langs Rotterdam). De bijmengverplichting dient te worden aangetoond met 'biotickets', die ook verhandeld kunnen worden en dus een marktwaarde hebben. De dubbeltelling van biobrandstoffen uit afval-, reststromen en ligno-cellulose is in Nederland ingevoerd via het biotickets systeem. 

Omgevings- of milieuvergunning
Voor de realisatie van een ECP dient in Nederland een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Daarnaast kunnen, afhankelijk van de soort biomassa, andere vergunningstelsels (bijvoorbeeld vanuit Meststoffenwetgeving) van toepassing zijn. Voor de situatie in Vlaanderen kan worden verwezen naar het Milieuvergunningsdecreet voor milieuvergunning (klasse 1, 2 en 3).

Ruimtelijke ordening
Installaties die biomassastromen van allerlei aard zullen gaan verwerken, zullen niet zomaar overal kunnen worden geplaatst. Er is veel opslag nodig, er zal aanvoer zijn en er zal de mogelijk hinder door geluid, geur, zicht, en/of ongedierte kunnen optreden. De publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ biedt een handreiking om potentieel milieubelastende activiteiten en gevoelige functies (zoals woningen) ruimtelijk in te passen. Deze publicatie biedt een handreiking, die overheden gemotiveerd kunnen toepassen bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Op basis van deze handreiking worden inrichtingen voor het verwerken van biomassa (SBI code 40) ingedeeld als bedrijfscategorie 3.2, waarbij een afstand tot gevoelige bebouwing van 100 meter wordt aangegeven.
Voor de situatie in Vlaanderen is alle wetgeving omrent ruimtelijke ordening te vinden via deze link. Specifiek voor biomassa is bijvoorbeeld een omzendbrief voor vergistingsinstallaties opgesteld.

Afval of grondstof
Biomassa die de grondstof vormt voor een ECP wordt soms gezien als afval, waardoor een complexere vergunning voor afvalverwerking nodig is. Door een wijziging van de Europese Kaderrichtlijn Afvalstoffen (2008/08/EG) zijn de afvalstoffenregels niet langer van toepassing op (gewone) mest, stro, en ander natuurlijke, niet-gevaarlijke materialen, rechtstreeks afkomstig uit de land- of bosbouw, dat wordt gebruikt in de land/bosbouw of voor de productie van energie uit biomassa. De verwerking van de biomassa moet daarbij onschadelijk zijn voor het milieu en de menselijke gezondheid niet in gevaar brengen. In de Nederlandse beleidsbrief “Meer waarde uit afval" wordt aangegeven dat voor overige organische stromen aan stakeholders zal worden gevraagd of vrijstelling van de afvalstoffenwetgeving eveneens wenselijk is. Voor Vlaanderen is het Materialendecreet van toepassing.

Mestwetgeving
Mest wordt juridisch niet beschouwd als een afvalstof; voor de toepassing en ook verwerking van meststoffen (en restproducten van mestverwerking zoals digestaat) geldt de Meststoffenwet. Onder de Meststoffenwet kunnen ook (beperkt) andere organische stromen worden verwerkt (co-vergisting), voor zover deze op een positieve lijst staan.

Aantonen duurzaamheid
In het algemeen zal men biomassa juist willen benutten vanwege de ‘duurzaamheid’ die men verwacht te bereiken. Dat moet dan wel aantoonbaar zijn. Voor specifieke gevallen is daar ook al regelgeving voor. Zo zijn op grond van de Europese richtlijn Hernieuwbare Energie (2009/28/EG) bindende duurzaamheidsvoorwaarden opgelegd voor de toepassing van op biomassa gebaseerd (bio)brandstoffen voor transport en voor elektriciteit of warmte opwekking.

Geen voorrang duurzame energie boven lokale milieubelangen
Bij de verlening van een milieuvergunning voor een ECP moeten alle milieuaspecten worden beoordeeld. Anders dan in bijvoorbeeld diverse andere continenten geldt in Europa geen rechtelijk voorrangsprincipe voor duurzame energieproductie boven andere milieubelangen (zoals natuur, landschap, hinder). Zo is bijvoorbeeld in Australië door het Taralga arrest duurzame energie (biomassa, windmolens) gesteld boven lokale belangen (zie draagvlak).